Het verhaal van mijn dood 


Dit verhaal werd ook gepubliceerd door papieren helden.

Ik zat achter het stuur, met de boodschappen op de achterbank, en tegelijkertijd deed ik een sudoku. Ik had het puzzelboekje in de hand waarmee ik stuurde, de andere hand lag op de versnellingspook. Ik schreef de cijfers niet op, maar bedacht waar ze hoorden, zodat ik ze later thuis kon invullen. Het onthouden was lastig en ik moest de cijfers voortdurend herhalen in mijn hoofd: negen in het hoekje, daaronder twee, zeven, zes in het midden; volgend hokje: één, zeven, drie. Zo kwam het dat ik plotseling tussen twee dichte spoorbomen stond.
    Het belsignaal rinkelde, ik schrok op en dacht: dit is absoluut de verkeerde plek om stil te staan. En ik dacht: tot ziens.
Er kwam geen trein.
    De auto werd niet gekreukeld het spoor over geduwd, de airbag klapte niet open, ik vloog niet door de voorruit. Op de sudoku’s zat geen bloed en mijn benen zaten nog vast aan mijn lichaam.
    De spoorbomen gingen weer open. Stilte.
    Ik ademde een paar keer diep in. Niemand had me gezien. Ik drukte het gaspedaal in en reed verder, maar na een paar meter begon het puzzelboekje in mijn hand te trillen en reed ik de berm in. De auto kwam abrupt tot stilstand. Ik legde het boekje naast me en veegde mijn zweethanden af aan mijn broek. Op mijn telefoon opende ik Google Maps en zocht ik naar het station in de buurt. De trein in kwestie, van 17:41, had gewoon moeten rijden. Ik tikte hem aan om het gps-signaal te volgen en zag het blauwe treinicoontje over het beeld naar het volgende station verschuiven.
Ik vulde eerst nog mijn sudoku in, negen in de hoek, twee zeven zes, daarna gooide ik het boekje uit het raam. Het belandde in het hoge bermgras, tussen het soort onkruidigachtige bloemetje waar mijn moeder vroeger kransjes van maakte voor me. ‘Prinsesje,’ zei ze dan, ‘doe een pirouette,’ en ik draaide en draaide tot alle bloemetjes elkaar loslieten en van mijn hoofd afvielen.
    Daarna ben ik naar huis gereden. Ik parkeerde de auto, die total loss had moeten zijn, haalde de boodschappen die kapot hadden moeten zijn uit de auto, keek in de tassen en verbeeldde me één sinaasappel rollend over het spoor. Ik liep door het trappenhuis omhoog, het rook naar te lang geroosterd brood.
    Mijn vriendin stond in de keuken. Zij deed de afwas en ik zette de boodschappentassen neer en vertelde wat me was overkomen. Ze keek me zo bezorgd aan dat er rimpels in haar besproete voorhoofd kwamen en haar mond een beetje openviel.
    ‘Je hebt het opgezocht,’ vroeg ze, ‘of de trein reed?’
    ‘Ja.’
    ‘En volgens Google Maps reed -ie?’
    ‘Ja.’
    ‘Dat zal het wel zo zijn geweest, toch?’
    Ze had gelijk. Als ik op Google had gezien dat de trein reed, en ik stond op dat moment op het spoor… Ik keek haar aan en kon moeilijk onder de conclusie uit dat ik inderdaad dood was. Ik was verongelukt, en mijn ongeschonden route naar huis was een laatste hallucinatie.
    ‘Ja!’ riep ik. ‘Natuurlijk! Ik ben dood.’
    En omdat dode mensen niet bewegen, liet ik mezelf op de grond vallen. Ik zag op de plint onder de keukentafel een verschrompelde sperzieboon liggen en probeerde me te herinneren wanneer we voor het laatst sperziebonen hadden gegeten, maar realiseerde me dat dode mensen niet keken, herinnerden, of lichte walging voelden. Ik deed dus mijn ogen dicht en hield ermee op.
Mijn vriendin had een paar tellen nodig om te merken wat er gebeurde. Ze gilde, schudde aan mijn lichaam, zocht haar telefoon en belde. Ik hoorde haar in stijgende paniek praten met een hulpdienstmedewerker en daarna kort met mijn moeder. Toen ze had opgehangen liep ze heen en weer en voelde ze aan mijn arm. Ze duwde een paar keer tegen mijn borst, zoals men in films doet, maar het was duidelijk dat ze niet zo goed wist hoe het moest. Uiteindelijk begon ze uit pure ontreddering de boodschappen maar in te ruimen.
    De politie was er het eerst, ik hoorde hun sirenes de straat inrijden en mijn vriendin liet hen binnen, bijna direct daarna volgde de ambulance. De artsen stonden naast me en concludeerden al snel dat het voorbij was. Een van de agenten begreep niet hoe ik vanaf het spoorwegongeluk nog helemaal naar huis had kunnen komen om hier op de keukenvloer te sterven, maar een arts zei dat dat vaker voorkwam, dat ik inwendige bloedingen had gehad en op de automatische piloot naar huis was gereden. Of ik al hersendood was terwijl ik reed, viel niet te onderzoeken. Het klonk me zeer waarschijnlijk in de oren.
Mijn vriendin bood hen koffie aan en zette die meteen, maar ik hoorde hen geen enkele keer drinken of hun kopjes optillen. Dat stoorde me. Ik had ze graag verteld dat ze niet zo ondankbaar moesten zijn, maar deed dat niet, want ik was dood. Bovendien had ik vaak het gevoel gehad dat men mij niet serieus nam, omdat ik een vrouw was en bovendien maar 1.65. Het was niets voor mij geweest om er daadwerkelijk iets van te zeggen. Dat ik het alleen al bedacht had te doen, verbaasde me. Misschien had sterven me moediger gemaakt. Ik vroeg me af hoe lang ik me nog bewust zou zijn van wat er om me heen gebeurde, en wat er daarna zou komen.
    Er werden papieren ondertekend en procedures bepaald. Mijn lichaam kon tot mijn begrafenis, die zo snel mogelijk zou plaatsvinden, thuis blijven en hier worden opgebaard. Een van de agenten zei: ‘Hier, dit is een nette vent,’ en mijn vriendin bedankte hem. Ik wou dat ik haar gezichtsuitdrukking kon zien of een hand op haar schouder kon leggen. Ze had zich goed gehouden, ik was trots.
    De hulpdiensten vertrokken en mijn vriendin tilde me met moeite op de bank. Mijn lichaam was zwaar in haar armen en dat maakte me verdrietig. Ik kon haar nooit meer aanraken. Ik wilde dat ze me naar bed droeg, zodat ik nog een laatste nacht bij haar kon zijn, maar ik snapte dat ze dat niet deed. Ik had het ook niet gedaan.
Ik hoorde haar met onze electrische tandenborstel haar tanden poetsen. Daarna kwam ze naast de bank op het kleed zitten, zo stil dat ik soms dacht dat ze alweer was opgestaan, had ze me niet af en toe aangeraakt. Ze zette Friends op, met het geluid zacht, maar had nergens commentaar op. Ze pauzeerde het zelfs niet toen ze ging plassen. Ik wou dat ze dat wel had gedaan.
Na drie afleveringen stond ze op. Ze kuste mijn voorhoofd, zoals altijd voor het slapen, en deed me daarna andere kleren aan, ik bedacht dat de oude natuurlijk bebloed en gescheurd moesten zijn van het ongeluk. Mijn onderbroek verving ze, maar mijn beha niet. Ik zou dus worden begraven in dezelfde beha als waarin ik stierf.
Die nacht sliep ik niet, want doden slapen niet, ondanks dat ouders dat vaak tegen hun kinderen zeggen. Ik huilde ook niet, maar als het had gekund, had ik het gedaan. Om mijn vriendin, helemaal alleen, omdat ze waarschijnlijk zou moeten stoppen met haar kunstopleiding nu ik geen geld meer kon verdienen, om de vogels die ze graag schilderde, de vliegers die ze maakte. Niet om mezelf. Ik had wel wat vaker met mijn vrienden willen drinken, of nog sneller sudoku’s willen leren maken (waren daar wedstrijden voor?), en het was jammer dat ik vlak voor het festivalseizoen was overleden, maar verder kon ik niets bedenken dat het huilen waard was. Mijn leven bestond vooral uit wachten tot er iets interessanters zou gebeuren. Mijn dood kennelijk ook. Ik lag stil op de bank en ik was niet toegedekt.

Mijn familie hield een simpele ceremonie in de woonkamer. Ik was in een comfortabele, zacht beklede kist getild, die op een verhoging lag. Ik hoorde toen de gasten binnenkwamen zoveel stemmen door elkaar, dat ik niet goed wist wie er precies waren, dus nam ik gemakshalve maar aan dat iedereen er was – mijn ouders, broers, hun vriendinnen, mijn tante, mijn studievrienden, misschien zelfs de buren.
Ik had verwacht dat het fijn zou zijn om te horen wat iedereen over me te zeggen had, dat dat het leukste deel zou zijn, maar toen het zover was, voelde het alsof ik hun privacy schond door mee te luisteren. Ik schaamde me voor het verdriet dat ik hen aandeed en voor de dingen die ze zeiden: ik was kennelijk erg grappig geweest in mijn leven, al heb ik alles wat ik deed en zei uiterst serieus bedoeld. Ik snapte niet dat niemand dat had begrepen.
Niet mijn moeder, maar mijn vader huilde het hardst. Hij hield van mij, had na mijn twee broers eindelijk zijn dochter gekregen. Ik was geen typisch meisje geweest, maar ik had hem mijn haar laten vlechten en kon lang genoeg stilzitten voor de raadsels en rekensommen die hij graag bedacht.
De vriendin met wie ik informatica had gestudeerd en op wie ik een tijdje verliefd was geweest, noemde me niet ‘Nico’, maar voluit ‘Nicole’, waardoor de realiteit van mijn dood pijnlijk tot me doordrong: ze sprak niet meer tegen, maar over mij.
Er was ook een collega aan het woord, die zei dat ik hem zo vaak met zijn programmeerproblemen had geholpen dat hij misschien wel was ontslagen zonder mijn hulp. De man in kwestie had ik nooit bijzonder gevonden, hij had wat suffig haar, maar nu hij zulke aardige dingen zei, wou ik dat ik meer over hem wist. Ik had geen seconde aan werk gedacht: steeds dezelfde klussen voor dezelfde bedrijven, de klok op kantoor langzaam naar de vijf zien gaan – maar mijn collega sprak over promotie, noemde zelfs het plan voor mijn eigen bedrijf dat ik jaren geleden al had opgegeven. Ik klonk veelbelovend.
Mijn vriendin zei, huilend, met veel ‘nee, het is oké’ erdoorheen omdat iemand haar zakdoekjes bleef aanbieden, dat ze me erg zou missen. Vooral de grapjes die ik maakte over hoe rijk we zouden worden, zonder kinderen, dat we misschien wel twee jetski’s konden kopen om over de grachten te racen. Mijn familie lachte zacht door hun tranen heen, en ik dacht: hoezo grapjes?
    Na de toespraken werden er liedjes gedraaid, die ik had uitgekozen – niet echt, maar als ik het had gekund waren dit ze inderdaad geweest. Ze klonken minder goed dan ik me had voorgesteld. Het eerste lied was erg sentimenteel. De mensen snikten zacht. Het tweede was troostend en ging over een vogel hoog boven zee. De zanger vroeg aan de vogel of die niet terug naar huis wilde komen, maar omdat de vogel zo ver weg was, hoorde die de vraag niet. De zanger begreep het en vergaf de vogel. Ik hoopte dat mijn familie mij ook zou vergeven. Het derde nummer was denk ik om, getroost en wel, een beetje op te dansen, maar dat deed niemand.
Mijn broers legden bloemen op mijn lichaam. Welke het waren kon ik niet voelen, maar ze roken peperig en ik hoorde dat ze mooi en passend waren. Mijn tante, wier slechte been een slepend geluid maakte bij het lopen, zei: ‘Ach, Darja,’ tegen mijn moeder toen ze samen bij de kist stonden. Ik bedacht daarom dat de bloemen met mijn moeder te maken hadden, dat het een kransje was van hetzelfde soort als aan de rand van de spoorweg. Maar mijn moeder was die herinnering waarschijnlijk al vergeten, zoals ik hem vergeten was geweest als ik mijn sudokuboekje niet in de berm had gegooid.
Ik werd in een auto geladen en rondgereden, maar hoorde geen getoeter. Ik wist niet of mijn familie mee was gekomen naar de begraafplaats – het deksel was op mijn kist getild en iemand had met een rubberen hamer de sluitpennen vastgeslagen, waardoor ik niets meer kon horen. Ik wou dat ik ‘dag’ terug had kunnen zeggen.
Tijdens de autorit was ik af en toe weggezakt. Ik nam aan dat dat de dood was, die steeds meer in mijn lichaam daalde. Het viel me alleszins mee. Als ik had geweten dat sterven zo makkelijk was, had ik minder om anderen hoeven huilen. Het voelde eigenlijk vrij onbelangrijk. Ik was er, het sprak voor zich dat ik er daarna niet meer zou zijn.
De scheppen aarde ploften in een regelmatig, kalmerend ritme op de kist. Ik had verwacht me claustrofobisch te voelen, maar dacht in plaats daarvan aan een deken die ik vroeger had, waar gewichtjes in waren genaaid, zodat ik beter kon slapen. Daarna dacht ik aan niets.

Ik schrok wakker van het geluid van graafmachines en was ontzettend in de war. Hoezo kon ik wakker schrikken? Wie kwam er zo dichtbij, gingen ze me nu echt nog storen? Een blij moment lang dacht ik dat het lichaam van mijn vriendin bij mij in de kist zou worden gelegd, maar dat gebeurde niet. Ze groeven mij op, braken het eikenhout open met een koevoet – de felle zon door mijn oogleden – en schudden me wakker.
    ‘Mevrouw!’ riepen ze. Dat vond ik vervelend, want ik was toch echt pas dertig, en eerder nog een meisje. Ik zei er niets van en ging door met dood zijn, maar ze bleven aan mijn schouders schudden.
    ‘U bent niet dood, we hebben ons vergist,’ zei één van hen. ‘De trein reed niet, ziet u? U hebt vast de melding niet gekregen in de app?’
    Ik deed mijn ogen open en zei dat ik inderdaad de melding niet had gekregen, maar dat ik wel Google Maps had bekeken, en dat ze best ‘je’ mochten zeggen. Ook had ik opeens verschrikkelijke dorst.
    ‘Aha, vandaar,’ zei de jongen weer. Hij leunde over me heen. Zijn hoofd bedekte de heldere zon, ik schatte hem amper zestien, op zijn smalle bovenlip een beginnend snorretje. Ik zag hem dubbel. ‘U moet de NS-app bekijken, ziet u? Die is veel actueler.’
    ‘Je,’ zei ik. Ik haalde diep adem. De jongen zette een stapje achteruit, ik rook waarschijnlijk niet zo fris. Ik probeerde rechtop te gaan zitten, maar het ging moeizaam, mijn rug was stijf. En er ritselde iets op mijn buik. De bloemen – het waren freesia’s, inmiddels verlept. Hun gele stuifmeel liet los en bleef aan mijn vingers kleven.
    ‘Wilt u bewijs?’ vroeg de jongen. Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn om de treintijden op te zoeken. Het duurde lang. Zijn wat dikkere collega stond ernaast mee te kijken. Ik deed mijn best hen niet dubbel te zien, wat steeds beter lukte.
    ‘Klik daar.’
    ‘Nee,’ zei de jongen en hij sloeg de hand weg.
    ‘Laat maar,’ zei ik. ‘Ik hoef geen bewijs. Als jullie helemaal de moeite hebben genomen me op te graven, zal ik inderdaad nog wel leven. Bovendien kan ik jullie zien en verstaan en heb ik dorst.’
    Ik merkte dat ik wat geïrriteerd was en vond dat vervelend. Ik moest blij zijn. Ik leefde nog! Ik nam me voor me wat dankbaarder op te stellen. De dikke man gaf me de bidon uit zijn gereedschapsgordel, het tuutje rook naar tabak en het water was lauw. Het was het lekkerste wat ik ooit had geproefd.
    Mijn ogen werkten alweer beter en ik keek omlaag: de binnenkant van mijn kist was inderdaad bedekt met fluweel zoals ik had gevoeld, maar het was donkergroen, in plaats van het felle rood dat ik me had voorgesteld. En mijn broek – ik dacht dat dat de lichtgrijze was die ik tijdens mijn afstudeerpresentatie had gedragen, maar het was de dure nette broek van mijn vriendin. Dat ontroerde me. Ze hield van die broek en toch had ze hem met mij begraven. Ik had geen grafsteen, zag ik, en ik bedacht me dat die nog in de maak moest zijn. Als we snel waren, konden we hem misschien annuleren. Om mijn graf heen lagen bosjes bloemen, slordig aan de kant gegooid door de gravers. De meesten waren al slap geworden, maar er was ook een vers boeket bij. ‘Voor altijd in,’ las ik op een lint, de rest van de tekst was omgevouwen.
    Nadat ik uit mijn kist was geholpen en wat rondjes had gelopen om de verslapte spieren in mijn benen te trainen, moest ik op een klein kantoortje een groot aantal formulieren ondertekenen. Het ging me allemaal wat snel. De begrafenisondernemer bood aan mijn vriendin te bellen om mij op te halen, maar ik wist haar nummer niet en mijn telefoon was niet meebegraven. De man zocht het nummer in zijn dossier, maar ik zei: ‘Ik neem de tram wel, dan kan ik haar thuis verrassen.’
    Voor een kaartje kreeg ik drie euro veertig contant. Ik dacht dat een kaartje drie twintig kostte, maar de man zei dat de prijzen sinds mijn overlijden waren gestegen.

De tramrit was prachtig. Er liepen duiven over de stoep, tussen de benen van de mensen door. Ik zat naast een jongen die rook naar een parfum dat ik kende van vroeger en ik kreeg een paar keer tranen in mijn ogen. De hele rit lang bleef ik in mijn armen knijpen. Ze waren mager en bleek, maar er stroomde duidelijk nog bloed door. Toen de geautomatiseerde stem mijn halte noemde, was ik eigenlijk al thuis.

Ik vond mijn vriendin in bed, terwijl de zon buiten prachtig scheen. Dat was dan ook het eerste wat ik zei. Ik deed de slaapkamerdeur open en riep: ‘Liefje, wat doe je in het donker, buiten schijnt de zon!’
    Ze schrok ontzettend en moest lang huilen. Ze droeg een oud T-shirt dat van mij was geweest, of eigenlijk nog steeds was – het shirt was vies en het huis was vies en dat deed me goed: ze had me gemist. Ze knipte het licht aan om me beter te kunnen zien. Tussen het huilen door vertelde ik wat er was gebeurd, dat ik was opgegraven en dat ik het verkeerd had gezien, dat ik de NS-app had moeten bekijken. Toen werd mijn vriendin boos, maar moest ze ook hard lachen. Ze sloeg me in mijn gezicht en kuste het daarna misschien wel honderd keer en werd daarna weer boos. Het was denk ik wat te veel voor haar. Om eerlijk te zijn snapte ik het ook niet helemaal.
    Mijn vriendin bedekte mijn gezicht met haar handen. Zo bleven we een tijd zitten. Heel kort haalde ze ze weg om naar me te kijken, maar ze legde ze vlug terug en ik kuste de warme duimen op mijn lippen.
    ‘Je bent er,’ zei ze. Ik knikte en haar handen knikten mee.
    Ik was ontzettend moe, maar mijn vriendin stond erop dat we het vierden. Misschien was ze bang dat ik weer dood zou gaan zodra ik in slaap viel. Ik sloot het niet uit, ik was best gewend geraakt aan de dood. Dat zei ik niet hardop.
Ik haalde een fles wijn uit de koelkast en herkende de sticker op het label – precies de wijn die ik de dag van het ongeluk had gekocht. Wit, uit de aanbieding, alsnog iets duurder dan normaal. Nu ik erover nadacht was het inderdaad vreemd als die fles een aanrijding met een trein had overleefd. En de auto? Ik liep naar het keukenraam, maar zag hem nergens in de straat staan.
We ontkurkten de wijn en sloegen de gordijnen open.
‘Hé, ik wil echt liever jetski’s,’ zei ik, met mijn rug naar haar toe.
Ze lachte. ‘Is goed.’
‘En geen kinderen.’
‘Ja.’
‘Ik meen het.’
Ik ging op de bank zitten, waar ik die lange nacht op had gelegen, en vroeg me af of ik zat waar mijn hoofd of mijn voeten waren geweest. Ik kon het me niet meer herinneren. Mijn vriendin haalde de goede wijnglazen uit de kast en kwam naast me zitten.
‘Is goed,’ zei ze nog eens. We proostten en dronken en belden iedereen op. Ik werd weer ‘Nico’ genoemd en mijn vader huilde wederom harder dan mijn moeder, ik hoorde hem een paar keer van schrik of blijdschap in zijn handen klappen. Mijn teamleider sprak met onverwacht veel opluchting in zijn stem. Kon ik over een week weer naar kantoor komen? Ik zei dat ik het niet wist. Ik wist het echt niet. Misschien ging ik nooit meer.
Mijn tante was de enige die boos werd. Ik kon toch niet zomaar hebben geconcludeerd dat ik dood was, alleen maar omdat dat op het internet stond?
‘Nee, tante Marjan, sorry.’ Ik dacht: ze is oud, ze begrijpt het niet.
We hingen voor de laatste keer op met de belofte dat we snel langs zouden komen, voor koffie of drank of om elkaar vast te houden, en daarna ging mijn vriendin pannenkoeken bakken. Ze zette een stoel neer in de keuken waarop ik moest gaan zitten en ze bleef de hele tijd naar me kijken.



© 2020 Nicole Kaandorp