Eén loonstrookje


Dit verhaal verscheen in Tijdschrift Ei. De illustratie is van Joren Joshua.

Het was op die avond dat ik nat ging werken.
    Of als we bij het begin beginnen: ik was zestien. Mijn moeder had voor mij een cv gemaakt. Bij hobby’s had ze gezet dat ik hield van koken en piano spelen. Ik kocht eens een zak aardappelen en deed die met plastic en al in de magnetron. En nu nog: als er staat ‘fruit de ui’, dan moet ik dat googelen.
    Mijn moeder had mijn cv, met een pasfoto erbij waarop je mijn onderkin kon zien, opgestuurd naar het Muziekgebouw, naar de opera, naar Carré, naar een bioscoop, een bar.
    Ik was zestien en mijn lievelingsdrank was Safari met ijs. Wij, Martijn en ik, lagen met onze knieën over de reling van zijn balkon, aan de Lijnbaansgracht. De zon scheen in streepjes op onze gezichten. Martijn had haar tot aan zijn schouders dat in een waaier om zijn gezicht heen lag. We deelden een pak hopjesvla. Ik had mijn uniform al aan – het stond me goed. Ik had een stereotype figuur maat L, alle lijnen liepen met mijn lichaam mee. Ik droeg het uniform de hele dag, ook als ik alleen voor de matinee stond of voor de avondvoorstelling.
    We keken naar boven, naar niets in het speciaal. Martijn zei dingen die hij later nog steeds zou zeggen, over drank, over geld, over scheefgebogen richtingsborden. Het was een goede dag. Om te liggen, vooral. En voor scrabble. We speelden drie potjes zonder op de punten te letten, of op de tijd, of op hoeveel we dronken. We schonken onze glazen in, onze monden uit. Beneden op straat toeterde van alles. Martijn mompelde ‘toeristen’, zijn kat liep over onze ruggen, spinde zoals ik zelf wel had willen spinnen.
Als Martijn zijn letters niet kon leggen, stapelde hij ze op het bord, maakte hij ‘klippen’ van ‘klappen’, pakte hij de ‘ng’ van ‘behang’ af. Hij ging naar de keuken, ik legde mijn Y op zijn latje, spelde ‘vleessoep’, dronk, schonk in.
    Hij kwam terug, schonk in, dronk, gooide zijn letters op de heet geworden betonnen vloer, spelde ‘nee’.
    We waren goede vrienden, Martijn en ik. We zeiden alle dingen die echte volwassenen meestal niet meer durven te zeggen, uit beleefdheid, of uit schaamte. Over ballen, over voelen, over pudding, een soort vastige pudding, we zeiden: ‘Jij bent best lelijk’ en: ‘Ik had je willen pesten op de basisschool.’
We gooiden twee-euromunten naar beneden. Als de mensen die we raakten blij keken, hadden we punten. Tien punten kochten me een rugmassage, achttien een fles op Martijns rekening, honderd was eeuwige liefde en puur geluk.
    Martijn schonk in, maakte een propje van een twintigje. Ik staarde. Dat was een half gameboyspel. Een verfrommeld half gameboyspel. Twintig euro. Ik trok mijn mond open om – maar zijn moeder riep ‘eten’ en keek ik op de klok en kneep Martijn in zijn dunne arm en dat was het eerste moment in mijn leven dat ik zo dronken was dat ik me zorgen maakte om hoe dronken ik was. ‘Shit,’ zei ik.
    En Martijn zei: ‘Klote.’
    En Martijn zei: ‘Je moet iets doen. Ren. Nee. Suiker. Water. Ga zwemmen!’ En toen lachten we elkaar uit en daarna lag ik in de gracht, met mijn jasje om mijn hoofd gebonden en mijn schoenen aan mijn handen. Dus dat was nog zo’n eerste keer, en ik had ook nog nooit uit die hoek een Chinees een foto zien maken, en al helemaal niet vijf Chinezen, en al helemaal niet vijf Chinezen in een rondvaartboot, en al helemaal niet in een rondvaartboot die toeterde, en al helemaal niet in een rondvaartboot waar een hoofd uitstak dat zei dat het de politie ging bellen.
    En zó laat was ik er niet eens. En zó dronken was ik niet meer. Maar het was dus toen. Op die avond.





© 2020 Nicole Kaandorp