Een aanhangwagen vol kopjes


Een eerdere versie van dit verhaal bezorgde me een plekje in de finale van WriteNow! 2020.

Vandaag begraven we jou. Je was de liefste kat ooit – dat heb ik niet zelf bedacht, er is een officieel certificaat voor ondertekend door de burgemeester. Niet door Femke of Eberhard maar door Job Cohen. Zo lang al ben je de liefste kat ooit. Ik was zeven, de handtekening zag er heel officieel uit. Jelle geloofde het niet, die was elf, maar Jelle is altijd sceptisch geweest. Hij geloofde ook heel lang niet dat ik zijn zus was, omdat hij er in het ziekenhuis niet bij mocht zijn.
Ik zit naast hem in de auto, met jou in je plastic reismand op mijn schoot. Wanneer Jelle niet schakelt, legt hij zijn hand bovenop de mand.
    We begraven je waar je geboren bent, in de tuin van juf Ria, van wie we op de basisschool allebei les hadden. We zijn er bijna, hier is de afrit. Ik kijk naar de koeien, ruik ze door de airco heen. Ik ben blij dat we jou niet op hoeven eten, dat je de grond onder mag. Het is erg aardig van juf Ria dat we jou in haar tuin mogen begraven, en maar goed dat die zo groot is. Ze heeft een graafmachine moeten huren, wij een aanhangwagen. Voor alles dat we met jou begraven is er een hoop ruimte nodig.
    De auto hobbelt het erf op, Jelle toetert en juf Ria maakt het hek open. Ze heeft een windjack aan, het staat haar goed. Ze is afgevallen, of ik ben ouder geworden en kan haar lichaam beter in perspectief zien. Jelle klopt zacht op je mand. ‘Hier ga je dan, jochie.’
We rijden de auto de achtertuin in, het gras op. Naast de trampoline, aan de rand van je graf, parkeren we.
    Ik stap uit met je reismand in mijn armen, het waait en de paar plukjes vacht die tussen de gaatjes door steken wapperen in de wind. Voorzichtig zet ik je op de grond.
‘Zo,’ zegt juf Ria. Ze gebaart naar het gat.
‘Past het, denken jullie? Het was nog best een gedoe, zo’n graafmachine.’ Met haar handen doet ze de bewegingen van de hendels na.
‘Ik denk het wel,’ zeg ik, maar ik weet het niet zeker.
‘We gaan op hem passen. En hij op ons. Het is een mooie plek, toch? Of – dat wordt het straks, natuurlijk – zo ziet het er niet uit.’
Ik knik. De hele tuin ligt overhoop, van de bramenstruik tot de terrastegels.
‘Ik laat jullie maar even alleen.’ Ze knijpt heel juffelijk in mijn schouder, klopt haar laarzen uit aan de deurpost, en is weg.

Als eerste zetten we de bank in het graf. Jij lag er vaker op dan wij, dus het voelt verkeerd hem niet aan je mee te geven. Jelle en ik tillen hem uit de aanhangwagen en zetten hem midden in het graf neer.
    ‘Zo,’ zegt Jelle, ‘dat is vast een begin.’ Hij kijkt om zich heen, het gat is ongeveer zo groot als een klaslokaal. Aan de rand bij de struiken steken er hier en daar wat wortels uit de aarde.
    We leggen het kleedje met jouw haren erop netjes voor je op de leuning neer, zoals thuis. Daarna tillen we alle dingen die jij ooit kopjes hebt gegeven je graf in. Onze bijzettafeltjes, de stoelen uit de eetkamer, de plant die bij de tv stond. Sommige delen van de muur hebben we losgebeiteld, het gruis zit in een vaas waar je misschien nooit een kopje aan hebt gegeven, maar dat geeft niet, je krijgt hem er gratis bij. Het begint te motregenen terwijl we het schoenenrek je graf in dragen, de losse banden en pedalen van mijn racefiets, de deur van de koelkast. Die duw ik van de rand af naar Jelle in het gat, hij vangt hem niet op maar springt opzij. De deur landt met een doffe dreun op de bodem, een magneet in de vorm van een vis valt ernaast in de aarde.
‘Alles goed?’
Jelle steekt zijn duim op en ik vraag me af hoeveel er nu in onze keuken aan het smelten en lekken is. Het gat begint op onze woonkamer te lijken, vooral wanneer Jelle de afgeknipte onderkanten van onze dikke bloemengordijnen op de bodem legt.
We begraven ook het been van de buurman. Het been zit in een vale spijkerbroek en draagt een sandaal.
We begraven kattensoep-in-zak.
We begraven de geluiden die je voor het laatst naar vogels maakte, ekekekekek, gevangen in een dichtgevouwen servet.

Ik begraaf een herinnering: ik zit in bad naar hitzone 41 te luisteren met de deur open. Jij komt aanlopen en springt op de rand. Je spint, ook al aai ik je niet, ik heb natte handen. Je snuffelt aan het badwater en likt ervan.
    ‘Niet doen.’ Met een natte vinger tik ik tegen je voorhoofd, de afdruk blijft in je vacht staan. Je begint jezelf te wassen, en later, als ik uit bad ben en het bijna leeggelopen is, spring je in de kuip en lik je alsnog het laatste restje op.
Jelle begraaft ook een herinnering. Dat doet hij in stilte.
We begraven samen dat we je optilden en door de woonkamer met je dansten, de wals, de tango. We begraven dat we je meenemen naar de spiegel en tegen je zeggen: ‘Kijk, dat ben jij,’ en hoe ongeïnteresseerd je naar je reflectie keek.
    We begraven de spiegel zelf ook. Jelle legt hem plat op de bodem, zodat de lucht erin weerspiegelt, blauw en lichtbewolkt.
Dan klimt hij naar boven en rolt hij de lege aanhangwagen je graf in.
‘Waarom doe je dat?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik denk dat hij dat mooi had gevonden.’
We begraven de dingen waar je weleens tegenaan hebt getikt (een pen met het logo van mijn vaders werk, labels uit kleren, knikkers, onderzetters), verzameld in een verhuisdoos. Dan de foto’s. Ik haal ze een voor een uit hun doorzichtige hoesjes en leg ze op de gordijnen neer. Er is de foto van toen we je kozen, je lag tussen het stro in de stal hier een paar meter vandaan, met je broertjes en zusjes. Kleine bolletjes waren jullie. Jij was de enige met een zwarte vlek op je borst, verder was iedereen in je gezinnetje wit. Jij bent sowieso de enige kat die ik heb gezien met aan de onderkant wat zwart in plaats van aan de bovenkant. Je bent de yang voor alle yin. Je bent de warmte en de koning en het feest dat ontstond toen iemand voor het eerst op een trompet speelde.
We begraven een Nintendo DS met het spel Nintendogs erin.
We begraven alle lepels waarmee we je eten in je bakje hebben geschept.
We begraven de familiekalenders van 2006 tot en met 2019.
Van onder de bijrijdersstoel pluk ik nog een veertje. Het is van roze plastic, het nepdons stug van je gedroogde speeksel.
   
Dan stapt Jelle achter het stuur. Bijna twintig jaar geleden kwamen we je hier ophalen, toen paste je nog in de voorzak van mijn capuchontrui. De auto was nieuw en je plaste op de lichtbeklede achterbank, papa riep iets, bang dat je onder zijn pedalen zou kruipen.
    Jelle start de motor. Ik spring naar beneden en ga zo dicht mogelijk aan de rand staan, bijna op het been van de buurman. Jelle rijdt het gat in. Het maakt een rotgeluid, de motorkap kreukelt, de airbag springt om zijn lijf heen. Ik blijf even kijken, onze auto in de prak, die was ouder dan jij. Dan stap ik erheen en trek ik de deur open.
    ‘Hé,’ zeg ik. Jelle worstelt zich uit de airbag, struikelt naar buiten en wrijft over zijn nek.
    ‘Hé,’ zegt hij. Hij haalt de autosleutel uit het contactslot en legt die bij de spulletjes waar je tegenaan hebt getikt.
Dan is het tijd voor jou. Sorry dat je moest wachten, al die tijd op de rand, maar nu zijn we klaar voor je. Ik haal je reismand. We zetten hem op het dak van auto, want verder is er nauwelijks meer ruimte in je graf, en gaan ernaast zitten. Jelle schroeft de bovenkant eraf. Daar lig je. Er is veel aan je hetzelfde: je zachte witte pootjes, je korte lijf, de vlek op je borst. Je gezicht is niet hetzelfde. Ze hebben bij de dierenarts je ogen dichtgedaan, maar ze gingen vanzelf weer halfopen.
Het geeft niet. Je bent onze kat.
    Jelle tilt je op. Je blijft in dezelfde houding liggen, ook al ondersteunt hij je niet overal. Alleen je pootjes buigen wat.
    Ik aai je. Je bent zacht en ongeveer zo warm als het hier buiten is.
Onze truien doen we uit, Jelle omdat jij altijd op de zijne ging liggen als hij hem eigenlijk aan wilde trekken, ik gewoon omdat dat lekker warm voor je is. We vouwen ze in stilte om je heen.
Wanneer het donker is stookt Jelle een vuurtje van de foto’s en kalenders en gaan we bij je liggen, op het koele blauwgelakte dak van jouw auto. Jelle heeft een arm om het bundeltje dat je bent en ik leg mijn hand op de zijne. Hij lijkt op mama in het knetterende kampvuurlicht en alles ruikt naar rook en feest.
Jelle begint te vertellen, over een vis die hij nooit voor je gevangen heeft, die nog meer stinkt dan je normale kattenvoer. Ik vertel over mijn eigen begrafenis, die minder mooi zal zijn dan de jouwe, en daarna over een drankje dat voor iedereen anders smaakt: voor aardige mensen naar de eerste keer verliefd zijn, voor vervelende mensen naar belastingaangifte. Jelle vindt het een vreemd verhaal, omdat jij niet weet wat belasting is. Hij geeft gelijk. Ik google wat voor muziek katten leuk vinden en zet een rare vibrerende soundscape voor je op. Volgens YouTube vind je het extremely soothing. De video duurt acht uur.

Wanneer we wakker zijn ligt er over je spullen een laagje dauw, staan juf Ria’s koeien al in de wei en fluiten de vogels, maar kan jij er geen geluidjes meer naar maken. Je springt niet plotseling op, rent niet door de kamer om midden in je pas te stoppen, te gaan zitten, je pootjes te likken. Mijn T-shirt is klam geworden.
    ‘Goeiemorgen,’ zegt Jelle, ‘als we snel zijn, kunnen we ook de zondagochtend nog begraven.’
    Met stijve spieren klim ik van de auto af, je graf uit. Jelle draagt jouw lichaampje naar de leuning van de bank, waar je hoort, dan klimt hij ook omhoog. Zijn broek is er vies van, we zitten allebei onder de modder.
    We lopen naar de tuindeur en kloppen bij juf Ria aan. Het duurt even, Jelle wil net de hoek om lopen om door het raam te kijken wanneer ze in regenlaarzen en een oud vest door het achterhek de tuin inloopt.
    ‘O, jullie zijn wakker, goeiemorgen, hoop dat ik jullie niet uit je slaap heb gehaald? Sorry, ik wilde net gaan douchen,’ zegt ze, gebarend naar haar werkkleding. Ze loopt langs de rand van je graf naar ons toe. Het is een behoorlijke puinhoop, juf Ria kijkt er expres niet naar.
    ‘Nee, dat niet,’ zegt Jelle. ‘Het is alleen – we snappen de graafmachine niet, zou u dat zometeen kunnen doen?’
    ‘Ik kan het wel laten zien, hoor.’
    ‘Nee!’ roep ik, iets te snel. ‘Dat is zo… confronterend. Snapt u?’ Ik maak een gebaar met mijn handen, iets bedekkends, ik weet zelf ook niet precies wat ik uitbeeld.
    ‘Ach, ja,’ zegt ze. We staan tegenover elkaar, juf Ria kijkt naar ons zoals ze vroeger wanneer we in de kleuterklas moesten huilen. Medeleven zonder oordeel. Ze was een goede juf, nam ons altijd serieus.
    ‘We moesten maar eens gaan,’ zegt Jelle. Hij steekt zijn hand uit, juf Ria schudt die en slaat dan toch haar armen om hem heen. Hij was zo klein. Ik probeer de hand niet eens, laat haar me omhelzen.
    ‘Wilt u even wachten met de graafmachine? Tot we echt weg zijn?’
    Ze knikt. Ze hoeft niet te weten waarom. ‘Het is goed,’ zegt ze, over alles. Ze weet dat jij een goed leven had, ook al kende ze je alleen als kitten.
    ‘Doen jullie je ouders de groeten?’
    We knikken tegelijk en bedanken haar nog een paar keer. ‘Echt heel erg bedankt,’ zeggen we, ‘echt heel,’ en we menen het meer dan ze kan weten. Dan gaat ze haar huis in en lopen wij de hoek om, voor het geval ze ons nog door het raam ziet. We lopen het pad af, langs de keramieken konijnenbeeldjes in het hoge gras, langs het vijvertje, langs de stapel bakstenen. Jelle zegt: ‘Denk je dat ze al binnen is?’
    ‘Laten we tot de oprit.’
    ‘Oké.’
    ‘Nu dan?’
    ‘Ja.’
    Hij pakt mijn hand en knijpt erin. We blijven even stilstaan voor we sneller en vlak langs de muren, een beetje gebukt, teruglopen.
    ‘Sst,’ doet Jelle.
    We kijken het hoekje om, de tuin in. Niemand. Alleen de vogels en alles dat van jou is. Ik luister of ik de douche kan horen vanaf hier, maar het huis is te goed geïsoleerd.
    ‘Zullen we?’
    Jelle knikt. We lopen naar je toe en klimmen je graf in. Ik geef je nog een laatste aai en een kus op je poot en Jelle schuift op zijn rug de auto onder. De dauwige aarde maakt vlekken op zijn T-shirt. Ik kruip hem achterna, het donker in. Het ruikt niet naar olie of benzinestation zoals ik had verwacht, maar naar plastic en modder. We schuiven dicht naar elkaar toe, Jelle’s ogen glimmen in het weinige licht. Hij pakt mijn hand en drukt de zijne ertegenaan, zoals mensen doen wanneer ze vergelijken hoe groot elkaars handen zijn. Jelle’s handpalm voelt warm en droog tegen de mijne. Dit deden we als kind ook vaak, in bed voor het slapen of om ruzies goed te maken. Jelle wordt er rustig van. We hebben dezelfde kromme vingers, onze pinken buigen bij het laatste kootje met een knik naar buiten. Het betekent dat we niet alleen zijn. Dat er altijd nog iemand met dezelfde rare pink is.
    We wachten in stilte. Ik vraag me af of jij ook onze pink had gehad als je een mens was geweest, en ik weet het meteen zeker. Wij zijn familie.
    Dan gaat de deur open. Voetstappen over de tegels, even niets, dan de deur van de graafmachine. De motor ervan. Luid en dichtbij.
    Jelle heeft zijn ogen dichtgedaan. Ik niet. Het maakt niet uit, ze gaan toch later weer halfopen. De eerste schep aarde valt naast Jelle’s kant van de auto en ik denk aan jou. Aan de roze kussentjes onder je poten. Aan je vacht in de zon en hoe het klonk wanneer je al spinnend probeerde te eten. Aan hoe je soms bij me in bed kwam liggen, op mijn kussen, en ik opschoof tot je er helemaal op paste. Hoe kon ik ook anders? Het was jouw kussen, vanaf het moment dat je het gezien had. Alles was van jou. Ook wij. Juist wij. Jelle knijpt zacht in mijn hand. De aarde valt. We wachten.



© 2020 Nicole Kaandorp