Tienrittenkaart


    Marie zat naast haar stoel in de bus, haar stoel was altijd dezelfde stoel, achter de achterste deur, de eerste verhoging. Aan het raam, het liefst, maar ze zat niet aan het raam vandaag.
    Marie had geen kinderen. Vannacht zat ze in een bar te praten over haar kinderen, “Ze zijn blond,” had ze gezegd, “blond met krullen, een jongen en een meisje.”
    “I’d love to meet them,” zei de vrouw terug. Marie had Engels gestudeerd maar desalniettemin stoorde ze zich aan de taalwisseling. De regenjas die de vrouw daarna aandeed werd er een stuk lelijker door.
    De man op Marie’s stoel aan het raam stonk. Ze haatte hem en ze haatte dat ze naast hem zat, dat ze naast hem zat terwijl er nog zo veel lege rijtjes stoelen waren en ze haatte dat dat iets betekende, dat de man haar aan probeerde te raken met zijn elleboog in haar zij. Marie had geen bh aan, had zelden een bh aan, en wenste voor het eerst dat niemand dat zag.
    De vrouw in de regenjas dronk jonge jenever met twee ijs. “Twee ijs,” had ze gezegd, zo elegant gedetailleerd tegen de naar tabak ruikende jongen die hun ober was. Marie had sinds de dood van haar zus niemand meer meegenomen naar deze bar, maar de regenjas stond merkwaardig goed bij dat onmiskenbare ding van verandering, herinneringen achter mat glas, de geur van een nieuwe vuilniszak in een rottende emmer. Marie schoof een centimeter van de man af. Probeerde zo langs hem heen mogelijk de strepen op de weg te zien, telde ze gedachteloos.
    Bussen die snelwegen opreden hadden een sfeer van zichzelf, een verloren schoolreisje, het enthousiasme wat triest in de stoelen bleef hangen bij aankomst, tevergeefs teruggezocht werd in de kooien van Burgers’ Zoo, maar het was niet anders: emoties pasten niet achter tralies, aten geen vis uit plastic emmers.
    Marie hield niet van jonge jenever, hoewel een glaasje nu wel had geholpen. Hoe kon dat toch dat dronken alles schoner leek, simpeler, meer oké? Dat zelfs het misplaatste Engels weggeschoven kon worden door twee bier, twee vingers tegen de zachte voorwand van Marie’s binnenkant, dat zodra iets haar meenam het niet meer uitmaakte waarheen, de dichte deur van een shoarmatent zo zacht als pasgeboren kittens, lakens van zijde, fluisteren door een telefoon.