Stoofvlees



  1. Snijd het vlees in grote lappen, snipper de uien, doe in grote bak met ⅔ van de wijn. Laat voor minimaal 2 uur staan in de koelkast.
  2. Snijd de groenten. Fruit de ui kort met de boter. Voeg daarna alle ingrediënten, behalve de wijn, toe aan de pan. Het is raadzaam thuis te blijven. Het is raadzaam om met stap 2 te beginnen rond een uur of tien ‘s ochtends. Wees moe, drink koffie. Overweeg koffie toe te voegen aan het stoofvlees. Doe dat niet. Houd je aan dit recept.
  3. Hang even met je hoofd boven de pan. Voel dat er alcohol verdampt in je gezicht. Ga voorzichtig op een stoel zitten en zeg tegen jezelf: “Oké, ik ben een beetje aangeschoten.”
  4. Dek de pan af met een goede deksel, of met een groot bord waarvan je weet dat het in de oven kan. Koop ovenwanten. Nu. Doe het nu. Bel een vriend om op het vlees te passen terwijl je ovenwanten koopt. Sta wankel in de gangpaden. Twijfel of de ovenwanten in je handen wel de juiste kleur geel zijn. Bel de vriend, vraag naar het vlees, of hij even de deksel / het bord wil optillen en kijken en ruiken en roeren. Maar niet te lang.
  5. Koop de te gele ovenwanten toch. Vergeet je fiets daar, neem de tram terug. Wrijf door je ogen. Kom thuis, stuur je vriend weg, zeg: “Je mag vanavond terugkomen, ik wil nu even alleen zijn met mijn vlees.”
  6. Sleep je lievelingsstoel de keuken in. Lees een boek. Niet een goed boek: je moet afgeleid kunnen raken om je vlees te bekijken, elk halfuur. Meer wijn toe te voegen, elk half uur.
  7. Drink maar wat van de wijn. Het is toch al te laat.
  8. Leg je boek weg, kijk lang naar de kaft ervan. Overweeg je moeder te bellen. Doe dat niet. Ze is op haar werk. Er was net oogcontact met haar nieuwe jonge collega. Ze heeft het even moeilijk met haar gevoelens. Je kunt haar nu beter alleen laten.
  9. Drink meer wijn. Herhaal het woord “sudder” in je hoofd tot je niet meer snapt wat het betekent.
  10. Ruik aan het vlees. Krijg honger. Er moet meer wijn bij, maar die heb je net allemaal opgedronken. Trek je jas aan terwijl je de deur al achter je dicht gooit en ren naar de supermarkt. Koop twee flessen voor de zekerheid. Sta zo ongeduldig mogelijk in de rij. Je hebt geen tijd voor een bonuskaart. Je hebt geen tijd voor wisselgeld. Je vlees heeft je nodig.
  11. Ga naar huis, voeg de wijn toe. Net op tijd. Overweeg dan iets productiefs. Doe het niet. Pak een gitaar en zing een liedje voor je vlees. Geef je lepel een kusje voor je hem in de saus steekt. Zeg “goed zo” tegen het vlees omdat het uit elkaar begint te vallen als je het roert. Zeg: “Ja.”
  12. Bel alle vrienden die je hebt. Of ze komen eten. Kook alvast aardappels voor erbij. Drink meer wijn.
  13. Open de deur een keer of vier, vijf, zes. Dek de tafel met de vieze kant van het tafellaken naar beneden, het servies van je moeder. Schenk glazen vol. Pak de pan van het vuur, je nieuwe ovenwanten - toch echt veel te geel, niet meer te ruilen - aan je handen. Zet een stap. Struikel. 
  14. Zoiets gaat altijd in slow motion. Terwijl de pan valt, ga ook jij naar de grond, en in die beweging zie je het zweven, majestueuze lappen vlees met hun draadjes als de staarten van vliegers, losse stukjes kruidnagel, één, twee laurierblaadjes wapperend in dikke saus, even denk je: misschien kan ik ze opvangen, maar dan klikt de tijd weer terug in haar normale snelheid. Alles op het tapijt.
  15. Bestel pizza.