Niet bij de NOS


Er zijn geluiden. We kunnen ons voorstellen dat hij ze hoort, maar niet hoe. We weten dat er geluiden zijn. We weten dat er huid is. We weten dat er ogen zijn, en dat ze open kunnen. Dat ze oefenen. Dat ze verschil merken in een zomer en een winter. We weten dat er benen zijn. Dat ze bewegen, soms. Dat voelen we.
    We weten dat er een middenrifje in hem zit, we weten dat het de hik heeft af en toe. We weten dat het rood is daar, althans, dat denken we. We weten dat wat er nu gebeurt nooit herinnerd zal worden. Niet door hem. Wel door ons. We weten dat er een neusje is. Een klein neusje. We weten niet of het kan ruiken, en zo ja, wat het dan ruikt. We weten niet hoe wij zelf ruiken aan de binnenkant. We weten niet of we stinken. We weten niet of het erg zou zijn, voor hem, als wij zouden stinken, aan de binnenkant. We weten wel dat hij soms rustig is, kalm. 
    We weten dat hij kalm is als we op de bank liggen en naar het journaal kijken. Houdt hij van het journaal? Houdt hij van de bank? Houdt hij van ons? Wat als hij geboren wordt en dan meteen weer terug kruipt? Omdat hij niet wil. Omdat we niet thuis zijn. Niet op de bank. Of niet in bad, niet buiten, niet in het ziekenhuis. Of niet in de studio van de NOS.
    We weten dat er geluiden zijn. We weten dat hij hikt. Dat is alles voor nu. We wachten.