J.


    Je wilde wandelen. We waren ergens waar ik nooit geweest was, maar ik was niet verdwaald, we waren oké. Er was een school, donkergrijze moderne bakstenen. Er was een poster van Loesje, op een prullenbak. Je liep sneller dan ik, je deed alles sneller dan ik, je droeg een groen vest van de H&M om je middel. We liepen over een smal bruggetje, aan de andere kant was een vlot naast een woonboot. Ik stelde voor om even te gaan zitten. We zaten even. Op het randje, met onze gezichten naar de brug. We hadden een fles versgeperste sinaasappelsap gekocht, want dat vond je ‘lachen’. Je vond erg veel ‘lachen’.
    Je kon niet stil zitten. Ik wilde graag de zon op mijn gezicht, even het steigerhout tegen mijn achterhoofd. Ik deed mijn schoenen uit, mijn voeten in het water. Jij niet. We praatten over een bedevaartstocht, over heilig water, over stadskaarten. Je geloofde nergens in, je hield van wandelen. De sinaasappelsap was een beetje zuur geworden van de warmte. Ik ontdekte dat het water onder de brug niet diep was en ging op de bodem staan. Het kwam tot mijn knieën.
    “Kom,” zei ik, maar je wilde niet, dus liep ik in mijn eentje onder de brug door. Ik hield me vast aan de balken. Je moest lachen, ik wist niet wat voor soort lach maar ik vond het niet erg. Aan de andere kant vond ik een winkelwagentje in het water. Toen was het genoeg, je wilde weer verder. Je kon niet tegen te lange pauzes. Ik klom het vlot weer op en je zoende me even, je onderarmen tegen mijn heupbotten. Een jochie op de brug riep: “Geil!”


M.


    Je aaide mijn haar uit mijn gezicht. Ik voelde je beenspieren een beetje aanspannen. We lagen in jouw woonkamer, jouw ouders’ woonkamer toen nog, aan de Hogeweg. Ik staarde vanaf je schoot naar de boekenkast. Een hele muur breed. Er lag een kat op me, niet Bobbie maar de andere, de blinde. Ik aaide de kat en jij aaide mijn haar uit mijn gezicht. Je rook droog, een speciaal soort schoon, zoals lakens weleens doen als ze lang buiten hangen. Op straat speelde een bandje, wilden kinderen poffertjes, praatten ouders over hun dieet.
    “Welke kleur vind jij mij?” vroeg je. Je ging van mijn haar naar mijn oor, trok de rand ervan over met je pink.
    “Ik denk donkergrijs,” zei ik.
    Jij vond de meeste mensen een blauwtint, maar ik was bruin/donkergeel, en Mark was donkergroen. Mark was je vriendje. Een leuke jongen. Hij droeg elke dag een ander T-shirt van dezelfde duikschool. Hij had er veel: ze waren goedkoop, deden hem denken aan vakantie.
    Je kuste mijn voorhoofd als teken dat ik je op moest laten staan. Ik tilde mijn hoofd op maar bleef liggen, anders was het zielig voor de kat. Terwijl jij de koekjes uit de oven haalde keek ik naar je lamp, naar de scheuren in je plafond. Ik vroeg me iets af. Ik wist toen je terugkwam al niet meer wat. De koekjes hadden een blokje chocola aan de binnenkant, dat was gesmolten. Je stopte er eentje in mijn mond, tilde mijn hoofd op en schoof je bovenbeen eronder, ging liggen met je hoofd achter de kat op mijn buik. We zeiden niets. We waren stil. Ook vanbinnen.


D.


    We spraken af op de Rozengracht. Ik had een pak rode wijn gekocht tegen de zenuwen, het klotste in mijn rugtas met elke stap die ik zette. Je had geen tijd voor me, dus ik moest mee. Er was een theaterwinkeltje waar je voor stond te wachten. Ik zag je van ver. Je had je winterjas nog aan, wel open en met de voering eruit, maar toch: je winterjas. Boven een korte broek. Ik wist niet of ik je lief moest vinden of stijlloos.
    Je zwaaide vroeg, ik moest nog een ruime vijftien meter naar je toe en werd me opeens akelig bewust van de manier waarop ik liep. We hadden hetzelfde model schoenen aan, jij bruin, ik blauw. Je beloofde extra snel te doen. Je kocht voor achtentwintig euro een zalfje dat een laagje maakte tussen je gezicht en je make-up, zodat je niet allergisch werd. Ik ging tegen jouw fiets aan staan, dat leek me het leukst voor je om te zien als je weer terug was, maar natuurlijk kwam je net naar buiten toen ik mijn broekspijp verder op aan het stropen was. Je keek naar je horloge en zei: “We hebben nog wel tijd voor lunch!”
    En ik zei: “Oké!”
    En we bleven staan. We keken naar elkaars wenkbrauwen en mondhoeken en oorlellen. Toen zei jij “kom,” en gingen we naar de Albert Heijn voor een pak hopjesvla.