Je ogen zelf


En ik kijk zo lang naar je gezicht. Je hebt van die zwarte puntjes op je neus, vouwen om je mondhoeken, daar kreukel je wanneer je lacht. Je hebt heel licht zacht haar boven je wenkbrauwen, je bent bruin geworden, maar niet op je oogleden.
    De puntjes van je ogen, daar waar slaap zich verzamelt soms, zijn roze, heel roze, mens-roze, roze zoals niets anders dan oogpuntjes kunnen zijn. Hoewel: sommige schaamlippen zijn ook deze kleur, en misschien de onderkanten van kattenpootjes.
    Ik kijk zo lang naar je gezicht, dat ik aan andere dingen begin te denken. Het geluid van het snipperen van lente-uitjes, daar denk ik aan. Mijn moeder snijdt ze, in dunne ringetjes, op een plastic snijplank. In de tuindeur hangt een gordijn, zo’n kralengordijn, wat eigenlijk alleen losse touwtjes is, met van die langwerpige rode kralen eraan, en dat de bovenkant net een beetje verkleurd is, omdat de zon er daar op schijnt. Daar denk ik aan. En dan zie ik de lucht weerspiegeld in je ogen, de lucht en paar kleine wolken hier en daar, maar vooral heel blauw. Wat is het blauw, wat is het mooi, wat een prachtige dag. Maar we liggen in een tent, we liggen in jouw tent. Het kan de lucht niet zijn, weerspiegeld in je ogen. Het zijn je ogen zelf.