Elleboogflamingo’s


  We zagen elkaar voor het eerst op een bankje. Zij zat daar, benen over elkaar, regenlaarzen aan, en ik zei, “Zeg, sorry, maar weet jij waar de Bilderdijk is?”
    “Straat of kade?”
    Ik fronste.
    “Kade,” gokte ik, en ze legde me de weg uit aan de hand van de tramrails, daar waar ze kruizen links, daar waar twee er vier worden rechts.
    Ik vroeg: “Werk je bij de tram?”
    “Nee, mijn vader heeft een modelbaan van alle lijnen.”
    Ik knikte, niet vragen of hij autistisch is, dacht ik, niet vragen, iets over trams nog, iets over het weer, maar ze redde me: “Mooie trui heb je!”
    En ik ademde uit en keek naar de plooien in haar lippen en ik zei: “Dankjewel, wil je hem hebben misschien?”
    Het was mijn reserve-trui, zo één voor in herfst over iets anders heen, heel warm. Hij was beige, met op elke elleboog een flamingo gebreid, van de tweedehands, en elke keer vroeg ik me af wie zoiets toch had bedacht te maken.
    Ze dacht erover na, kneep haar lippen op elkaar.
    “Echt? Maar wat als je spijt krijgt?”
    “Dan bel ik je.”
    “Maar je hebt… Ohja. Oké. Ja.”
    We lachten (zij zachter) en ik voelde mezelf bekeken, eventjes zeiden we niets, ik wist niet meer wat een natuurlijke houding voor mijn armen was.
    “Pak je je telefoon niet, dan?”
    “Oh, nee, die is leeg.”
    Ik zocht naar een pen in mijn broekzak, gaf hem aan haar, trok mijn trui uit en zei: “Schrijf maar op mijn arm.”
    En ze schreef. Haar negens staken uit onder de rest, het bolletje op de lijn en het steeltje naar beneden, zoals bij een g of een y.
    “Oké,” zei ze, nam de trui in haar handen en voelde de structuur ervan. Hij was nog warm van mij en ik hoopte dat ze dat voelde en dat ze dat fijn vond.
    “Dankjewel,” zei ze.
    In de hals van die trui kun je me het best ruiken, wilde ik zeggen, maar ik zei het niet.
    Ik stak mijn hand uit en schudde de hare, zacht en droog, zei mijn naam, hoorde haar zeggen: “Marijke.”
    Toen fietste ik weg en ik volgde de tramrails maar ik vergat een paar bochten, het regende en het nummer op mijn arm veegde uit. Ik liep het café in, staarde naar mijn onleesbare arm, en ik had spijt.

    Het was winter geworden, ik was onderweg richting de uitgang van het Stedelijk, en daar, bij de garderobe, keken twee flamingo’s me vanaf onbekende ellebogen aan. Naast hem stond zij, en ik was er al heen aan het lopen. “Marijke!” en ik legde mijn hand op haar schouder.
    Zij draaide zich om, hij in mijn trui draaide zich om, zij glimlachte naar mijn gezicht.
    “Hé,” zei ze, met een vraagteken bijna. Hij vertrouwde het niet.
    “Van de trui,” zei ik, wees met mijn duim naar de trui.
    “Ooooh, ja,” en nu glimlachte ze echt.
    Daar stonden we weer niets te zeggen, hij legde zijn arm om haar middel, knikte naar me.
    “Wil je ‘m nog terug?” vroeg ze.
    “Het is een heerlijke trui,” zei hij. Tegen haar of tegen mij misschien, maar ik schudde mijn hoofd.
    “Nee, hou maar. Fijne dag nog, jullie,” stak een hand op en liep weg, ik keek niet om, en ik had spijt.